Offenbeek, Gemeente Beesel -Cultuurhistorische Quickscan 
R.K. Kerk van het Onbevlekt hart van Maria – 1964
R.K. Kerk van het Onbevlekt Hart van Maria (Fatimakerk)
Pater Claretstraat 2, 2a Reuver, gemeente Beesel
Opdrachtgever:
Dhr. J. Gubbels
Onderzoek, analyse en fotografie:
- Timmermans MA
Visuele inspectie: November 2015
Rapportage: Februari 2016
© Bureau Patina, 2016
Bureau Patina Tongersestraat 4
6211 LN Maastricht
06 28 907 417 / 06 20 630 599

Overzicht op het buurtschap Offenbeek vanaf het dak van het H. Hartklooster, 1956.De grofkeramische industrie drukte in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een duidelijke stempel op de ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen in Reuver.
Inleiding
Wie zestig jaar geleden het dorp Reuver bezocht, kon het niet onopgemerkt blijven; dit Midden-Limburgse dorp aan de Maas bloeide dankzij de keramische industrie die er gevestigd was. Net als fabrieken in Tegelen, Belfeld, Beesel en Swalmen waren onder andere de Reuverse fabrieken van Laumans, Janssen-Willemsen en Teeuwen internationaal bekend om hun dakpannen en gresbuizen, (Grès is Frans voor steengoed) maar ook om hun zogenoemde Keuls aardewerk. Al sinds het begin van de 19e eeuw werden hier pannen gebakken. Met de komst van een spoorlijn halverwege de 19e eeuw en later de introductie van de stoomgresbuizenfabriek groeide de bedrijvigheid.
De ruimtelijke ontwikkeling van Reuver is dan ook, net als in veel andere Midden-Limburgsecdorpen, onlosmakelijk verbonden met deze keramische industrie. De groei die het dorp doormaakte na de Tweede Wereldoorlog is grotendeels verantwoordelijk voor het ontstaan van het buurtschap Offenbeek in de vorm zoals we deze nu kennen. Fabrieken breidden almaar uit. Die bedrijvigheid trok steeds meer arbeiders, die allen gehuisvest dienden te worden.

Gresbuis van de fabriek Gebr. Teeuwen. Opgegraven in Velp, 2001
In die context is de Kerk van het Onbevlekt hart van Maria opgericht: een arbeiderskerk voor de snel groeiende bevolking van Offenbeek, ontworpen door Jan C. Buschman en gebouwd tussen 1962 en 1964. Tegenwoordig is de
invloed die deze periode op de ruimtelijke ontwikkeling had minder goed zichtbaar. Inmiddels zijn alle keramische fabrieken uit Reuver verdwenen. Als laatste sloot in 2010 de fabriek van de Gebr. Teeuwen aan de Keulseweg. De gemeente Beesel heeft de fabrieksgebouwen en grond opgekocht om her te ontwikkelen. De Offenbeekse arbeiderskerk is aan de eredienst onttrokken. Voor het kerkgebouw wordt een nieuwe bestemming gezocht, en de bijbehorende klokkentoren staat op de nominatie gesloopt te worden.
Vanwege deze (toekomstige) ontwikkelingen heeft Bureau Patina in opdracht van Dhr. J. Gubbels een zogenoemde cultuurhistorische quick scan uitgevoerd naar de Kerk van het Onbevlekt hart van Maria. Een quick scan bevat op hoofdlijnen een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van de ruimtelijke context van het gebouw, een inventarisatie van het object en de beschermde structuren en een inschatting van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden. Op die manier fungeert dit rapport als een aanzet voor een onderlegger voor toekomstige stedenbouwkundige en architectonische ingrepen in en rond de kern van Offenbeek, met als middelpunt eerdergenoemde kerk.

Algemene Kaart Nederland, 1852
Ruimtelijke context
Voor het eerst wordt Offenbeek genoemd in 1294, maar het buurtschap komt pas echt tot ontwikkeling als arbeiderswijk van Reuver in de 19e eeuw. Op de ‘Algemene kaart van Nederland’ uit 1852 (afbeelding) is te zien dat Offenbeek, ten oosten van Reuver, een kleine gemeenschap is, omringd door kleinschalige landbouw en bos- en heidegebieden. Op kleine schaal worden de kleiafzettingen van de Maas gewonnen voor het bakken van dakpannen.
Deze kleinschalige keramiekindustrie is dan op veel plekken terug te vinden in de dorpen langs de Maas tussen Roermond en Venlo.
In 1865 wordt de spoorweg Maastricht – Venlo in gebruik genomen als onderdeel van de zogenoemde Staatslijn; de spoorwegverbinding tussen Maastricht en Nijmegen. Reuver krijgt een eigen station en er wordt een aftakking aangelegd ten behoeve van de keramiekindustrie.
Door een betere verbinding met de afzetmarkt en snellere aanvoer van grondstoffen kan er een vergroting van schaal plaatsvinden. Deze wordt nog eens gestimuleerd met de introductie van de stoomgresbuizenfabriek in 1904.
De keramiekindustrie vestigt zich tussen spoorlijn en de wingebieden van de klei, tegen de Duitse grens. De nieuwe spoorlijn vormt een nieuwe, tastbare grens tussen Reuver en Offenbeek, die daardoor steeds verder uit elkaar groeien en onafhankelijk van elkaar worden. Zo wordt Offenbeek steeds meer
gedomineerd – zowel in sociaal opzicht als in ruimtelijke zin – door de keramiekfabrieken. Onder invloed van de groeiende keramiekindustrie kent Offenbeek een gestage toename van inwoners, die zijn hoogtepunt vindt vlak na de Tweede Wereldoorlog. De arbeiders vestigen zich dicht bij de fabrieken, waardoor er in Offenbeek een community ontstaat van keramiekarbeiders. Offenbeek vormt zo een arbeiderswijk van Reuver, dat het maatschappelijke centrum blijft.
De foto op pagina twee laat zien hoe geïndustrialiseerd het dorp is halverwege de twintigste eeuw.
Vanwege de groei van het aantal inwoners van de arbeiderswijk, bestonden er al tijdens de Tweede Wereldoorlog plannen voor de oprichting van een kerkgebouw in Offenbeek. Op 30 mei 1953 vind in het gemeentehuis van Beesel een vergadering plaats over de vraag waar de toekomstige kerk van Offenbeek gesitueerd moet worden. Als locatie wordt een perceel aan de Keulsebaan (tegenwoordig Keulseweg) gekozen, waar omheen nieuwbouwwijken met scholen zouden verrijzen. De afdrukken van de gemeentekaarten van 1959 en 1969 op de volgende pagina laten zien hoe Offenbeek in één decennium planmatig wordt uitgebreid.
Met name ten noorden van de tegenwoordige Keulseweg, tussen de huidige Dijckersingel en Sint Josefweg, vindt op relatief grote schaal woningbouw plaats. Ook richting zuiden wordt er uitgebreid, met name rond de Sint Annastraat
en Sint Theresiastraat. De nieuwe Fatimakerk is het centrale punt van de uitbreiding, en moet een maatschappelijk middelpunt gaan vormen. In stedenbouwkundig opzicht kan de kerk dus ook niet los gezien worden van de omringende woningbouw en vice versa. Hiermee krijgt de zogenoemde kerkgemeenschap bestaansrecht, relatief onafhankelijk van Reuver.
In 1955 wordt daartoe het rectoraat Reuver-Offenbeek opgericht onder de titel ‘Onbevlekt Hart van Maria’.
Anno 2015/2016 ligt de kerk van Offenbeek aan een ruim plein annex parkeerplaats, dat aan twee zijden begrensd wordt door de Pater Claretstraat en de Keulseweg. Rond de kerk staan bomen en zijn plantsoenen aangelegd. De kerk ligt nog steeds centraal in de door nieuwbouw gedomineerde industriële kern Offenbeek. De centrumfunctie van de kerk wordt benadrukt door de omliggende winkels en horecagelegenheden. De toren markeert het dorp reeds van verre en is te zien vanaf de snelweg A73 en de toegangsweg vanuit zowel zuidelijke als noordelijke richting.

Gemeentekaart, 1959

Gemeentekaart, 1969
Objectbeschrijving
De Kerk van het Onbevlekt Hart van Maria – beter bekend als Fatimakerk – is uitgevoerd als zeshoekige centraalbouw. De draagconstructie bestaat uit een betonskeletbouw, aangevuld met schoon metselwerk van geelbruine baksteen in wildverband en glaswanden met verticale oriëntatie. De bankenopstelling is centraal.
Bij de kerk staat aan de oostkant een eveneens zeshoekige campanile in gewit gewapend beton.
Het metselwerk, de hoge glasvlakken, ritmisch afgewisseld met slanke kolommen van gewapend beton: het zijn typische kenmerken van wederopbouwarchitectuur, de architectuur uit de periode 1940-1965. Deze optimistische, vernieuwende architectuur uit de jaren na de oorlog kenmerkt zich door het gebruik van nieuwe materialen en vormen.
Het ontwerp is van architect Jan C. Buschman, die in 1956 benaderd werd voor het ontwerp van de kerk met toren. De opdracht luidde een kerkgebouw te ontwerpen voor 700 personen met bijbehorende Fatimakapel, klokkentoren (campanile) en rectoraatshuis. Buschman koos voor een zeshoekige plattegrond voor de kerk (zie afbeelding). De keuze voor de zeshoek kwam niet uit de lucht vallen. Het getal zes was symbool voor de ‘arbeid’ en dus ook voor de industrie die in Offenbeek zo ruim aanwezig was. Er waren immers zes scheppingsdagen en zes werkdagen per week. In Limburg is er slechts één andere kerk met een zeshoekige plattegrond (de Christus Hemelvaart in Maastricht). De keuze voor de zeshoek impliceerde het ontwerp als centraalbouw. Geheel volgens het gebruik van die tijd gebeurde dat in gewapend beton.
Ook de toren heeft een zeshoekige plattegrond, maar is voorzien van nog meer symboliek. Het betonnen bouwwerk is deels open, deels gesloten. De openheid staat voor het ‘openstaan’ voor alles, terwijl de geslotenheid vasthoudendheid symboliseert.
De kerk is spaarzaam gedecoreerd. Dat had allereerst te maken met de schaarste van materialen in de jaren na de Twee Wereldoorlog, maar ook omdat de kerk het idee in zich moest dragen van een tent, die ‘Gods volk onderweg’ onderdak bood (foto pagina 9). Op 9 december 1962 werd de eerste spade gestoken. Slechte weersomstandigheden deden de werkzaamheden vrijwel tot stilstand komen. De eerste steen werd derhalve pas op 13 oktober 1963 gelegd. Op 13 december 1964 kon de kerk worden geconsacreerd.

In liturgisch opzicht was het altaar bijzonder. Feitelijke was het een dubbelaltaar. Eén hoog en daarvoor een iets lager, waarop het tabernakel stond. Het tabernakel vóór het altaar was uitzonderlijk, maar was ook toegepast in de Christus Koningkerk te Venray en de H. Nicolaas te Genooi. Glazenier Max Weiss kreeg de opdracht om voor de zeven vensters boven de zangtribune gebrandschilderde ramen te ontwerpen. Weiss ontwierp een serie abstracte ramen, waarin hij de ‘kracht van het atoom’ uitbeeldde. Buschman daarentegen was van mening dat Het Laatste Oordeel’ de hoofdgedachte was achter deze vensterreeks. Het tabernakel staat sinds 1975/1976 op een sokkel schuin achter het hoofdaltaar tegen de achterwand van de kerk.
Zuidgevel

De zuidgevel vormt het voorfront van de kerk aan het plein. Deze is opgetrokken uit schoon metselwerk van geelbruine baksteen in wildverband. Op de ramen van Weiss na, is deze gevel blind. De toegang wordt gevormd door een rechthoekige uitbouw met tochtportaal met glazen deuren. Opvallend is hoe de gevel met schaars gebruik van materialen toch verrijkt is: op onregelmatige wijze springen bakstenen iets uit, waardoor het gevelvlak structuur krijgt.
Zijgevels

Twee grote zijwanden bestaan uit betonnen pijlers die van het maaiveld tot de dakrand lopen en die van boven tot beneden van gekleurd helder glas zijn voorzien. De drie koorwanden daarentegen zijn weer blind. De dakconstructie wordt gedragen door een rondlopende zware gewapend betonnen ringbalk van ruim honderd meter lengte. Daarop rusten ijzeren liggers die het dak afdragen. Het tentdak was oorspronkelijk belegd met blauwe dakpannen. Deze zijn ofwel verkleurd of in het verleden vervangen. Op de spits staat een ijzeren kruis.
Campanile & torengang

De zeshoekige betonnen campanile is afwisselend gesloten en open. Verschillende platforms geleden de toren in verdiepingen. Boven op de klokkentoren staat eveneens een kruis. De toren is middels een gang verbonden met de kerk. De gang is aan de kant van het plein uitgevoerd in glasblokken. De tegenoverliggende gevel is van baksteen. In de hoek van de kerk met de pastorie is de Maria- of Fatimakapel gebouwd. Ook zij heeft een gevel van glasblokken. De kapel heeft een plat dak.
Interieur
[Voor dit onderzoek is het interieur van de kerk niet bezocht. Navolgende beschrijving is overgenomen uit Jacobs & Wiekart – Kerken na 1940]
“Het voorgebouwd portaal is naar de kerkzaal afgesloten met twee dubbele houten tochtdeuren. Deze deuren worden aan weerszijden begrensd door de biechtstoelen, die verwerkt zijn in houten wanden. Boven de ingang is de betonnen zangtribune zonder pijporgel uitgebouwd. De tribune heeft een houten reling. De banken staan in vier blokken in een halve cirkel rond het trapeziumvormig liturgisch centrum. Een middenpad leidt vanaf de hoofdingang direct naar het hoofdaltaar. Het altaar staat vier treden boven het vloerniveau van de kerkzaal. Het sacramentsaltaar met tabernakel staat wederom twee treden hoger. Het liturgisch centrum is belegd met kwartsiettegels. Op de betonnen vloeren in de rest van de kerk liggen linoleumtegels. De grote vensterpartijen in de zijgevels zorgen voor veel licht in de kerk. De zeven vensters van Max Weiss boven de zangtribune staan te geïsoleerd om de sfeer in de kerk te beïnvloeden. De plafonds zijn uitgevoerd in hout en volgen de vorm van het tentdak. De drie wanden achter het liturgisch centrum zijn uitgevoerd in speciaal metselverband met uitspringende en terugliggende bakstenen. Die geven de wanden reliëf en zouden tevens de akoestiek moeten bevorderen. In de wand links van het koor is de doorgang aangebracht naar de Mariakapel. De kapel heeft de vorm van een ongelijkzijdige vierhoek. De kapel heeft een wit gestuukt plafond en een gestuukte zichtwand. Op de hoek van de kapel en kerkzaal is een zij-ingang aangebracht. Achter in de kerk geeft een tochtdeur toegang tot de gang die naar de voormalige doopkapel onder de klokkentoren leidt.“

Recente ontwikkelingen
De doopkapel werd in de laatste jaren niet meer gebruikt (onbekend sinds wanneer). De kapel en de gang die er naartoe leidt, waren in die tijd in gebruik als opslagruimte. Het bankenplan is enigszins gereduceerd. In 1982 werd de spits van de kerktoren, die door betoncarbonisatie was aangetast, vervangen door een nieuwe, die eveneens in beton uitgevoerd is. Sinds 2015 is de kerk aan de eredienst onttrokken en begint het achterstallig onderhoud zichtbaar te worden en is opnieuw sprake van betoncarbonisatie met roestend wapeningsstaal als gevolg. Dit is het meest duidelijk op de betonnen campanile en het exterieur van de betonnen kolommen van het hoofdgebouw.
Het kerkgebouw, inclusief kerktoren en bijgebouwen worden te koop aangeboden door makelaar AB & P Vaassen te Roermond.

Beschermde status
Sinds 2011 staan de kerk met campanile en torengang als ensemble op de gemeentelijke monumentenlijst van de gemeente Beesel. Als redengevende beschrijving is het volgende opgenomen:
“De kerk is een bijzonder gebouw. Er zijn slechts twee zeshoekige kerkgebouwen in Limburg. Vanwege het zeshoekige centraalgebouw met toepassing van betonskeletbouw neemt de kerk een unieke positie in binnen Limburg. De kerk ligt centraal in de wijk en is stedenbouwkundig van belang. De kerk is nooit ingrijpend veranderd. De onderdelen van kerkzaal en de klokkentoren verkeren nog in oorspronkelijke staat. Het gebouw bevat abstracte gebrandschilderde ramen van Max Weiss, binnen wiens oeuvre deze zeldzaam zijn. De wanden zijn gemetseld in een speciaal metselverband.”
Het genoemde ‘stedenbouwkundige belang’ is niet gespecificeerd, maar slaat naar alle waarschijnlijkheid op de groei van de Offenbeekse bevolkingsaantallen ten tijde van de bouw van de kerk en de daarmee gepaard gaande stedenbouwkundige uitbreiding.
De kern van Offenbeek heeft voor zover bekend geen status als beschermd dorpsgezicht en is niet aangemerkt als cultuurhistorisch karakteristiek.
Wel definieert de gemeente Beesel in haar structuurvisie uit 2011 een deelgebiedsvisie voor de dubbelkern Reuver-Offenbeek (p.45) een streefbeeld:
“Uitgangspunten […] zijn het versterken van de verbindingen tussen de kernen [Reuver en Offenbeek], een herbestemming van de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en het behoud van de eigen identiteit van de afzonderlijke kernen.”
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat architectuur uit de wederopbouwperiode – waar de hier besproken kerk onderdeel van uitmaakt – steeds meer aandacht krijgt van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Zij benadrukt het belang van de periode voor de manier waarop er in de decennia erna gebouwd werd. Om het belang te duiden: de in veel opzichten vergelijkbare Christus Hemelvaartkerk in de Maastrichtse parochiewijk Pottenberg maakt onderdeel uit van een van de dertig wederopbouwgebieden in Nederland die door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed benoemd zijn vanwege hun nationaal belang.
Conclusie
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de Kerk van het Onbevlekt Hart van Maria een duidelijk onderdeel uitmaakt van de ontstaansgeschiedenis van de kern Offenbeek. Zij vertelt het verhaal van de groei en bloei van de kleiwarenindustrie in Offenbeek en is daarmee representatief voor andere Midden-Limburgse dorpen (bijvoorbeeld Swalmen, Belfeld en Tegelen).
Vrijwel de gehele ruimtelijke ontwikkeling van Offenbeek is gerelateerd aan de opkomst van de keramiekindustrie. De kerk is echter een van de weinige overgebleven tastbare en afleesbare ruimtelijke producten van deze periode.
Architectonisch is de kerk waardevol te noemen, met name vanwege de duidelijk herkenbare stijl van de (late) wederopbouwperiode. De kerk is – in combinatie met het omringend stedenbouwkundig ontwerp – een typisch voorbeeld van de stedebouwkundige en architectonische opvattingen over volkshuisvesting in die periode.
In ruimtelijk opzicht zijn campanile en kerkgebouw complementair. Waar de campanile fungeert als een landmark in de laagbebouwde omgeving, vormt het zeshoekige kerkgebouw een historische verankering van de omliggende wijk. Toch wordt met name het ensemble van kerkgebouw met campanile een hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Zij maken samen onderdeel uit van de identiteit en ontstaansgeschiedenis van het buurtschap Offenbeek en zijn in ruimtelijke zin afhankelijk van elkaar voor de leesbaarheid. Ze vormen samen een archetype (kerk met toren) dat voor eenieder afleesbaar is en betekenis geeft aan de ruimtelijke context. Met andere woorden: zonder toren verliest de kerk een groot deel van de afleesbaarheid (en dus cultuurhistorische waarde) en vice versa.
Daarnaast heeft het ensemble een duidelijke en belangrijke ruimtelijke relatie met de naoorlogse uitbreidingen. Over de ontwerp- en ontwikkelingsgeschiedenis van deze uitbreidingen is te weinig bekend om deze op hun waarde (in relatie met de kerk) te schatten. Er wordt daarom aangeraden een vervolgstudie te doen in de vorm van een cultuurhistorische verkenning, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke ontwikkeling en de ontwerp- en ontwikkelingsgeschiedenis van Offenbeek in de twintigste eeuw.
Bureauprofiel
Bureau Patina is een multidisciplinair onderzoeksbureau op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed gevestigd in Maastricht.
Bureau Patina heeft ervaring met het leveren van zowel producten op het gebied van onroerend erfgoed, als op het gebied van de kunsten aan zowel particuliere opdrachtgevers als overheden en marktpartijen.
Luc Timmermans studeerde bouwkunde aan de TU Delft en Erfgoedstudies aan de VU Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar watergebonden, industrieel en twintigsteeeuws gebouwd erfgoed.
Bronnen
Grontmij Nederland B.V. (2011). Structuurvisie Beesel.
Ickentoth, J. e.a. (1994). De kleiwarenindustrie in Belfeld, Reuver, Beesel en Swalmen.
Jacobs, A. & Wiekart, A.A. (2003). Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940.
Afbeeldingverantwoording
Titelpagina:
kerkgebouwen-in-limburg.nl
p.2: De kleiwarenindustrie in Belfeld, Reuver, Beesel en Swalmen.
p.3: velpschecourant.nl
p.4: Kadaster / topotijdreis.nl
p.6: Kadaster / topotijdreis.nl
p.7: kerkgebouwen-in-limburg.nl
p.8: Foto’s auteur
p.9: Links: AB & P Vaassen Rechts: Foto auteur